Herkomst
Op de Franse vlakten bestond eeuwenlang een bloeiende veeteelt.
Bij die grote kudden werkte een grote veelzijdige herdershond in vele kleuren en haarvariëteiten die men 'chien de la plains' (hond van de vlakte) maar ook chien de Brie noemde.
De ontluikende kynologie had er blijkbaar behoefte aan om de variëteiten nader te duiden.
Daarom noemde men eind vorige eeuw de langharige naar de streek Brie en werd de kortharige naar de streek Beauce genoemd.
Door mensen in de streek wordt hij 'bas rouge' (roodkous) genoemd, maar de naam Beauceron wordt het meeste gebruikt.
Algemeen voorkomen
Een forse, rustieke hond die goed gebouwd en gespierd is.
Een Beauceron mag niet plomp zijn.
Hij heeft dubbele Hubertusklauwen aan zijn achterbenen.
Schofthoogte reuen 65 - 70 cm; teven 61 - 68 cm
Gewicht 30 - 50 kg
Vacht Het dekhaar is niet te kort, hard en ligt stevig aan.
De ondervacht is fijn, zacht en dicht.
De Beauceron komt voor in de kleuren zwart met brand en driekleurig waarbij in het zwart grijze haren en velden voorkomen; deze kleur noemt men arlequin.
Gebruik Herdershond en gezinshond
Gezondheid Fokdieren worden onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie en moeten een rasgedragstest hebben doorstaan.
Aard Goed te benaderen en zonder vrees.
Gehecht aan zijn baas, soms eigenzinnig.
Mits goed gesocialiseerd kan de Beauceron goed overweg met andere huisdieren en kinderen.
Bijzonderheden Geen.
Nu en dan goed borstelen, met name in de ruiperiode.