Herkomst
Een van de vier Zwitserse Sennenhondenrassen (Alpenhonden). Aanvankelijk de meest voorkomende hond in Midden-Zwitserland. Genoemd naar plaats van herkomst in de streek rondom Bern.
Zeer oud ras, afstammend van de grote, zware doggen die de Romeinse legers meenamen om het meegebrachte vee te drijven.
Algemeen voorkomen
Groter dan gemiddeld, krachtig, sterk.
Schofthoogte reuen 64 - 70 cm, teven 58 - 66 cm
Gewicht ongeveer 40 - 55 kg
Vacht Lange, rechte of licht golvende vacht.
Diep zwarte basiskleur, met diep bruinrode aftekeningen op de wangen, boven de ogen, op de borst en alle benen.
Witte, kleine tot middelgrote, symmetrische aftekeningen op het hoofd (bles) en een witte borstvlek.
Witte voeten zijn gewenst, evenals een witte staartpunt.
Gebruik Oorspronkelijk veedrijver, herders- trek- en waakhond.
Nu voornamelijk familiehond.
Gezondheid Fokdieren worden onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie en moeten een rasgedragstest hebben doorstaan. Regelmatig worden andere gewrichtsafwijkingen geconstateerd.
Dit ras is gevoelig voor bepaalde vormen van kanker.
Aard Zeker, opmerkzaam, waakzaam en onbevreesd in alledaagse situaties, goedmoedig en aanhankelijk voor vertrouwde personen, zelfverzekerd en vriendelijk voor vreemden.
Gemiddeld temperament, volgzaam.
Bijzonderheden De vacht vereist regelmatige kam- en borstelbeurten.