Herkomst
Zeer oud ras, afkomstig uit de provincie Aquitaine in Zuidwest-Frankrijk. Zou rechtstreeks afstammen van de Doggen der Oudheid, de Molossers.
Waren de slagershonden van Bordeaux en omstreken.
In het zuiden van Frankrijk gebruikt voor het vechten met beren, wolven en wilde ezels.
Algemeen voorkomen
Zeer krachtig gebouwde hond met een goed geproportioneerd lichaam. Tamelijk laag gesteld en sterk gespierd.
Trapeziumvormig, zeer groot hoofd.
Aan weerszijde van de lengtegroef liggen symmetrische, beweeglijke rimpels.
Zeer krachtige, brede kaken, met ondervoorbeet.
Schofthoogte reuen 60 - 68 cm, teven 58 - 66 cm
Gewicht reuen minimaal 50 kg, teven minimaal 45 kg
Vacht Fijne, korte, zachte vacht.
Eenkleurig mahonie of roodgele tinten.
Kleine witte vlekken op borst en voeten zijn toegestaan.
Masker zwart, bruin of rood (geen masker).
Gebruik Oorspronkelijk gebruikt als vecht- en waakhond; tevens in het verleden gebruikt als drijfhond bij de berenjacht.
Nu waak- en gezelschapshond.
Gezondheid Fokdieren worden onderzocht op het voorkomen van heup- en elleboogdysplasie; ook andere skeletafwijkingen komen nog wel eens voor.
Aard Goedmoedig, soms wat terughoudend voor vreemden, zacht voor de baas.
Niet altijd verdraagzaam ten opzichte van geslachtsgenoten.
Bijzonderheden Weinig onderhoud.
De vacht vraagt kam- en borstelbeurten.