Alles over honden: rassen, opvoeding en gezondheid Onafhankelijk · Een site van Petmedia

Herkomst  
Het ras is rond 1920 ontstaan in Beieren (Duitsland).
Gefokt met behulp van de Foxterriër en de Welsh Terriër.
Zo is een all-round jachthond ontstaan; niet te klein en niet te groot.
Het is altijd de bedoeling geweest dit ras uitsluitend als werkhond (jacht) te gebruiken, zodat het niet in het bezit komt van niet-jagers.

Algemeen voorkomen
Doet op het eerste gezicht aan een donkere, ruwharige Foxterriër denken, maar is zwaarder gebouwd en de schedel is breder.
Het lichaam heeft een rechte, sterke rug en de botten zijn relatief goed ontwikkeld.
Kenmerkend zijn de V-vormige oren die, hoog aangezet, dicht tegen het hoofd hangen.
Maakt een stoere indruk.

Schofthoogte niet meer dan 40 cm
Gewicht reuen 9 - 10 kg, teven 7,5 - 8,5 kg

Duitsejachtterrier
Foto: Eigen archief



Vacht Sterk, dicht en hard ruwharig.
Te kort en gladharig is ongewenst.
De hoofdkleur is zwart, zwartgrijs gemengd of donkerbruin met bruinroodgele aftekeningen, o.a. op snuit, borst, benen en onder de staart.
Een klein beetje wit aan borst en tenen is toegestaan.
Gevlekte pups worden niet in het stamboek ingeschreven.

Gebruik Geschikt als aardhond, speurhond, drijfhond en ook om te apporteren.
Hoort in principe alleen thuis bij jagers en wordt door hen om zijn capaciteiten alom gewaardeerd.

Gezondheid De rasstandaard vermeldt dat dit ras weinig vatbaar is voor ziekten.

Aard Fel, stoer, attent en wantrouwend tegen vreemden.

Bijzonderheden De vacht heeft geen specifiek onderhoud nodig.