Herkomst
Stamt af van de zogenaamde vogelhonden, die werden gebruikt bij de jacht op het veerwild, waarbij de honden de vogels naar de netten joegen, die de jagers vervolgens over hond en vogels heen gooiden. Rond de vorige eeuwwisseling begon Edmund Löns zich te interesseren voor deze honden die zo veel leken op de vogelhonden op oude schilderijen.
Men doopte hem in 1919 'Münsterländer', maar doordat er al een Kleine Münsterländer bestond, kreeg hij het toevoegsel 'Grote' erbij.
Algemeen voorkomen
Langharige, sierlijke, elegante en krachtige hond.
Hij heeft een gespierde lichaamsbouw, maar toont slank.
Het hoofd is bijzonder adellijk.
Schofthoogte reuen 60-65 cm, teven 58-63 cm
Gewicht circa 30 kg
Vacht Het haar is glad, sluik, lang en dicht.
Het mag niet los of gekruld zijn.
Het moet aan de achterzijde van de voor- en achterbenen en aan de oren lang zijn.
De kleur is altijd wit met zwarte platen en stippen (schimmel) of zwartschimmel.
Hoofd zwart met eventueel wit geschimmelde neusrug of bles.
Gebruik Volwaardige jachthond, die dichtbij de jager blijft.
Zoekt systematisch het terrein af en geeft door roerloos te blijven staan de plaats aan waar het wild zich bevindt.
De hond is echter meer geïnteresseerd in het werk na het schot: het zoeken naar ziek (aangeschoten) wild en het apport.
Gezondheid Fokdieren worden onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie en erfelijke oogafwijkingen.
Aard Intelligent, temperamentvol, leerzaam en betrouwbaar.
Zonder enige nervositeit.
Zeer geschikt als huishond.
Bijzonderheden De halflange vacht is makkelijk in het onderhoud en heeft behalve regelmatige borstel- en kambeurten geen bijzondere verzorging nodig.