Herkomst
Stoere en moedige hond voor jacht op grofwild, afkomstig uit de grensstreek tussen Finland en Rusland.
Algemeen voorkomen
Laika-achtige, geharde werkhond.
Schofthoogte reuen 54-60 cm (ideaal 57 cm), teven 47-55 cm (52 cm)
Gewicht 30-35 kg
Vacht Bovenvacht stug en recht, wat langer aan nek, rug en dijen, ondervacht zacht en dicht.
Zwart met een matte of bruine zweem erover, witte plekken of aftekeningen aan hoofd, nek, borst, buik en benen.
Gebruik De Kareliër werd gebruikt bij de jacht op weerbaar wild (beer, eland, wild zwijn, lynx en wolf), dat ze vrij lopend moesten opsporen en bezighouden tot de jager kwam.
Vooral de reuen kunnen tegen andere honden zeer onverdraagzaam zijn.
Tegenover vreemde mensen gereserveerd tot onverschillig, nooit agressief.
In huis - mits goed opgevoed - een betrouwbare kameraad.
Gezondheid Puur werkras, geen gezondheidsproblemen bekend.
Aard Onverschrokken, fel, strijdlustig, zeer eigenzinnig en koelbloedig, maar wel weer gevoelig voor een te harde behandeling.
Bijzonderheden Buiten de wekelijkse borstelbeurt geen bijzondere zorg nodig.