Herkomst
Waarschijnlijk is de Puli een nazaat van de Tibetaanse Terriër, alhoewel er ook stemmen opgaan die hem een kleine Komondor noemen.
Algemeen voorkomen
Het meest karakteristieke aan dit oude Hongaarse ras is zijn vervilte
vacht die hem op de poesta's tegen de kou beschermde.
Het is een opgewekte, beweeglijke, middelgrote hond met een stevige vierkante bouw.
Schofthoogte reuen 40 - 44 cm; teven 37 - 41 cm
Gewicht reuen 13 - 15 kg; teven 10 - 13 kg
Vacht: De vacht verhaart niet maar groeit door.
Hij bestaat uit fijne wolharen en grove dekharen.
De kwaliteit van de vervilte koorden wordt bepaald door de verhouding tussen deze twee haarsoorten.
De kleuren zijn zwart, wit en 'vaal'.
Gebruik: Herdershond die tijdens het opdrijven van de schapen op en over ze heen springt. Tegenwoordig is het ook een prettige gezelschapshond.
Gezondheid: Fokdieren worden onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie en bepaalde erfelijke oogafwijkingen.
Aard: Schrander, waaks, strijdlustig, vol zelfvertrouwen, levendig en trouw aan zijn gezin.
De Puli leert redelijk snel maar heeft vanwege zijn neiging tot onafhankelijkheid een consequente opvoeding nodig.
Bijzonderheden: De Puli mag niet geborsteld of gekamd worden.
Af en toe moet de vervilting worden gescheurd.
Alleen als het écht nodig is de hond wassen: het duurt dagen voor hij weer droog is!
Oppassen met zwemmen, want de vacht wordt door het water zo zwaar dat hij de hond naar beneden kan trekken.