Land van herkomst: Duitsland
Korte geschiedenis van het ras
De Kromfohrlaender is een relatief nieuw ras. Hij is na de Tweede Wereldoorlog ontstaan. De stamvader is een Franse jachthond van het ruwharige Griffontype die gekruist werd met een draadharige Foxterrier-teef.
Het resultaat vormde het begin van een geheel nieuw ras. Zijn naam is afkomstig van Krom Fohr, d.w.z. Kromme Groeve, in de buurt van zijn geboorteplaats. Na intensief fokwerk is het ras nu gestabiliseerd. Hij wordt als gezelschapshond gebruikt, maar ook als wacht- en verdedigingshond. Het aantal Kromfohrlaenders is klein.
Vacht : de Kromfohrlaender komt voor in twee versies : gladhaar en ruwhaar, waaronder een dichte en zachte ondervacht ligt.
Aard: Dit is een handige waakhond, een lief huisdier en eerder een gezelschapsdier dan een moedige Terriƫr.
Activiteit
Deze hond past zich volledig aan, aan het gezinsleven waarin hij terecht komt. Het is een trouwe, aanhankelijk, waakzame en aangename huishond. Tegenover vreemden is hij wat terughoudend. Ondanks zijn levendig temperament is hij gemakkelijk als huishond te houden, maar dan moet je hem natuurlijk zijn dagelijkse portie beweging geven.
Rasbeschrijving
De Kromfohrlaender is een enigszins middelgrote, rechthoekige, krachtig gebouwde, ruwharig hond.
Hij is waakzaam en heeft een goed waakinstinct.
Hoofd: lang wigvormig, matig breed. Vlakke, geronde bovenschedel, vlakke achterhoofdsknobbel, onopvallende wenkbrauwbogen en voorhoofdsgroef. Uitgesproken stop. Rechte neusrug, stompe neus, zwarte neusspiegel en zwarte, droge lippen.
Ogen: middelgroot, ovaal, iets schuin geplaatst, donker.
Oren: hoog aangezet, middelzwaar, driehoekig, met afgeronde punten, worden tegen de wangen gedragen.
Gebit: schaargebit.
Hals: licht gewelfd en droog, matig lang, gerond.
Lichaam: licht rechthoekig. Uitgesproken schoft, rechte rug, licht gewelfde lendenen, opgetrokken buiklijn.
Licht hellende, brede croupe. Normale borstkas, lichte voorborst.
Ledematen: rechte en evenwijdige voor- en achterbenen.
Goed gehoekt in schouder en opperarm, matig gehoekt in knie- en spronggewricht, goede botten en goed bespierd, tamelijk hooggeplaatste sprongen.
Voeten: gewelfd, met goed gesloten tenen en sterke voetzolen.
Staart: matig lang, licht gebogen of licht gekruld.
Gangwerk: levendig, soepel en wijd uitgrijpend.
Vacht: strakke huid, de kleur hang af van de kleur van de vacht.
Korte, matig lange of lange ruwharige vacht met ondervacht.
Kleur: de basiskleur is wit met een lichtbruine tot donkerbruine aftekening, een bles op het hoofd.
Grote vlekken op het lichaam en een zadel zijn gewenst.
Schofthoogte: 38-46 cm.
Gewicht: Reu 12 kg. Teef 12 kg.
Leeftijd: 13 - 14 jaar