Over het ras
De Affenpinscher stamt af van de Griffon Bruxellois (Brusselse Griffon) en de Belgische Griffon. De Affenpinscher is een levendige hond en de oorsprong van dit ras kan teruggevonden worden in Duitsland. De naam Affenpinscher komt van de Duitse woorden "Affe" (aap) en "Pinscher" (Terriër). Deze hond wordt om zijn aapachtige en komische kop ook wel "Monkey Dog" genoemd. Algemeen wordt aangenomen dat de Affenpinscher als boerderijhond is gefokt; zijn taak was voornamelijk het jagen op knaagdieren. Vroeger was deze hond aanzienlijk groter. Door fokken is de Affenpinscher geminiaturiseerd en is daarna in de 18e en 19e eeuw een huisdier geworden. In 1936 is de Affenpinscher geregistreerd door de American Kennel Club.
Over het algemeen is de Affenpinscher een zeer gezond hondenras. Om huid- en vacht problemen te voorkomen moet de hond goed verzorgd worden. Affenpinschers hebben snel botbreuken door de fijne botstructuur. Ook zijn Affenpinschers vatbaar voor oogzweren en infecties. Bij dit ras komen tandproblemen ook veel voor en ademhalingsproblemen. Bij goede verzorging en regelmatige controle door de dierenarts kunnen gezondheidsproblemen grotendeels worden voorkomen.
De verwachte levensduur van de Affenpinscher is gemiddeld 10 tot 12 jaar.
Het karakter van de Affenpinscher lijkt op het karakter van een terriër. Door goede socialisatie kan deze hond goed opschieten met andere honden en huisdieren. De Affenpinscher is een koppig ras, verder zijn ze redelijk actief, speels en ondeugend. Met stevige en adequate training kan deze hond een lieve en grappige kameraad zijn. Het is een gezinshond en wil bij de familie zijn. De Affenpinscher kan niet goed overweg met jonge kinderen, omdat ze de neiging hebben hun speeltjes en voedsel goed te bewaken. Hoewel de Affenpinscher niet groot is, is hij wel onvervaard tegenover enige agressor en deze hond kan zeer opgewonden worden als hij geprovoceerd wordt. De Affenpinscher heeft geen idee van zijn afmeting en schroomt niet om als een dolle, grotere honden en andere grote dieren onvervaard tegemoet te treden.
Vermijd het kort knippen van de vacht van de Affenpinscher, omdat dat de vacht voor jaren ruïneert. Wekelijks borstelen en kammen is voldoende om de vacht schoon te houden. Plukken kan af en toe nodig zijn. Het haar in de ooghoeken moet bij sommige Affenpinschers geknipt worden om oogirritatie te voorkomen. Trimmen kan nodig zijn als het om showhonden gaat. De Affenpinscher verliest weinig tot geen haren.
\
De Affenpinscher
Herkomst: Zeer oud Duits ras. Klein, compact en levendig hondje. Werd tot 1896 ingedeeld bij de ruwharige dwergpinschers. Verwant aan de Belgische Griffons. Werd reeds in de vijftiende en begin zestiende eeuw door de kunstenaars Jan van Eyck en Albrecht Dürer geportretteerd.
Algemeen voorkomen
Klein ruwharig pinscherras, dat zich kenmerkt door een aapachtig hoofd en vrijpostige gezichtsuitdrukking. Schofthoogte reuen en teven 25 tot 30 cm. Gewicht ongeveer 5 - 8 kg. Vacht Op het lichaam hard en dicht, ruwharig op het hoofd met ruige borstelige wenkbrauwen, veel ruig haar rondom de ogen en op de wangen, en een kin met een imponerende baard. Aan de hoofdbeharing ontleent het ras de naam. Zuiver zwart. Zwart met bruine of grijze aftekeningen toegestaan. Gebruik Goede waakhond en gezellige huishond, die zich sterk aan eigen mensen hecht.
Gezondheid
Geen ernstige rasspecifieke problemen bekend; incidenteel komt wel patella luxatie voor.
Aard
Beminnelijke mengeling van onverschrokkenheid, koppigheid, braafheid en aanhankelijkheid.
Bijzonderheden
Naast regelmatige kam- en borstelbeurten wordt de vacht gewoonlijk tweemaal per jaar geplukt.
Rasstandaard
FCI Standaard nr. 186
11 augustus 2000
Affenpinscher
Land van oorsprong: Duitsland
Datum van publicatie van de geldige originele standaard: 06-03-2007.
Vertaling: Ine Hartgers-Wagener november 2000
Gebruik: Huis- en Gezelschapshond
Classificatie FCI: Groep 2: Pinschers en Schnauzers -Molossers - Zwitserse Sennenhonden en andere rassen
Sektie 1 Pinschers en Schnauzers zonder werkproef.
Kort historisch overzicht: Oorspronkelijk gebruikt als huishond in Zuid-Duitsland. Zijn voorouders zijn al door Albrecht Dürer (1471-1528) afgebeeld op zijn houtsneden. De eerste officiële inschrijvingen van Affenpinschers gaan terug tot het jaar 1879. Deze rond de eeuwwisseling zeer geliefde honden ontwikkelden zich uit de ruwharige Pinschers. De harde haarkrans rond het hoofd onderstreept de aapachtige uitdrukking.
De kleur liep van eenkleurig geel, roodachtig of grijsachtig tot donkergrijs, grauwzwart tot zwart.
Algemeen totaalbeeld: De Affenpinscher is ruwharig, klein en kompact met een aapachtige
gezichtsuitdrukking.
Belangrijke verhoudingen: In verhouding van lengte en hoogte moet de lichaamsbouw zo
kwadratisch mogelijk lijken.
Gedrag en karakter (aard): Onverschrokken, waakzaam, hardnekkig en aanhankelijk vaak met hartstochtelijk temperament. Hij is een aangename familie- en gezelschapshond.
Hoofd:
Bovenschedel:
Schedel: Meer rond dan gestrekt, totaal niet te zwaar, hooggewelfd met duidelijke voorhoofd
Stop: duidelijk aanwezig
Gezichtsdeel:
Neus: De neusspiegel: is rond vol en zwart
Voorsnuit: De neusrug is recht (niet naar boven gebogen) en kort.
Lippen: Zwart, vast tegen de kaken liggend.
Kiezen / tanden: Volledig (42 tanden), zuiver wit. De onderkaak steekt voor de bovenkaak uit en is
iets naar boven gebogen, De snijtanden van het gezonde gebit zijn zo regelmatig mogelijk in een licht
gebogen lijn geplaatst. De hoektanden en de snijtanden mogen bij een gesloten snuit niet zichtbaar
zijn. Ook mag een Affenpinscher bij gesloten mond de tong niet laten zien. Het ontbreken van twee
PM1, PM2 of PM3 of twee van deze PM in combinatie wordt getolereerd.
Ogen: Donker, rond en vol met aansluitende zwart gepigmenteerde oogleden, omringd met een harde
haarkrans.
Oren: Hoog aangezet, gelijkmatig naar voren gedragen V-vormig, de binnenkanten tegen de
kopliggend. Staande oren klein, gelijkmatig en kaarsrecht gedragen.
Hals: Recht, sterk, enigszins kort met sterke aanzet. De keelhuid is strak en sluit rimpelloos aan.
Lichaam: Krachtig, kwadratisch, compact.
Bovenlijn: vanuit de schoft naar achteren iets aflopend in een vrijwel rechte lijn.
Schoft: Vormt het hoogste punt van de bovenlijn.
Rug: krachtig, kort en strak.
Lendenpartij: Kort en krachtig. De afstand van de laatste ribbenboog tot de heup is kort waardoor de
hond compact lijkt.
Croupe: In een lichte ronding verlopend, ongemerkt overgaand in de staartaanzet.
Borst: Aan de zijkant slechts weinig afgevlakt. Matig breed, tot de ellebogen reikend.
Onderlijn en buik: Matig opgetrokken, buik- en bovenlijn (van schouderpunt ot staartaanzet) verlopen
ongeveer parallel.
Staart: In de natuurlijke staat, een sabel of sikkel vormige staartdracht is gewenst.
Ledematen:
Voorhand:
Algemeen: De voorbenen zijn sterk, recht en niet te dicht bij elkaar geplaatst.
Schouders: Goed gespierd, het schouderblad is lang, schuin (ca 45º ) en vlak aanliggend.