Over het ras
De Bayrischer Gebirgsschweisshund is ontstaan in Beieren. Werkt vastberaden en zelfverzekerd voor de jager en komt door zijn vrij lichte bouw ook in moeilijk bergterrein tot prestaties. Zijn taak was in de eerste plaats om aangeschoten herten te zoeken, vooral edelherten. Het ras komt vooral in Centraal-Europa voor.
Gehouden voor het speuren en volgen van het door een aangeschoten stuk wild achtergelaten spoor van bloeddruppels; vooral goed inzetbaar in moeilijk bergterrein.
Schofthoogte
Reu 47 - 52 cm. Teef 44 - 48 cm.
Gewicht
20 - 25 kg.
Verschijning
Middelgrote hond, lang lijf.
Aard
Rustig, trouw, zelfverzekerd.
Ogen
Niet groot.
Kleur: bruin.
Mond
Kaken: sterk.
Gebit: schaargebit. Tanggebit is toegestaan.
Hals
Niet lang.
Voorhand
Recht.
Gespierd.
Lichaam
Borst: niet breed.
Ribbenkast: ovaal.
Rug: gespierd.
Lendenen: kort, gespierd.
Buik: iets opgetrokken.
Croupe: lang.
Achterhand
Gespierd.
Voeten
Tenen: gesloten.
Nagels: zwart.
Staart
Aanzet: hoog.
Wordt horizontaal of naar beneden gedragen.
Kleur
Rood, bruin, rood-bruin, geel, geel-rood, grijs-rood, eventueel met vlekken.
Oren, masker: donker.
Vacht
Dicht.
Uitsluitende fouten
Neus: vleeskleur.
Gebit: onder-, overbijt.
Rug: doorgezakt.
Afwijkend gedrag.
NB
Reuen: twee testikels moeten goed ingedaald zijn in het scrotum.\