Over het ras
FCI nr: 9
FCI groep 3: Terriers
Sectie 1: Grote en medium terriers
Land van herkomst: Engeland
Geschiedenis
De Bedlington Terrier, voorheen bekend als de Rothbury Terrier, is oorspronkelijk een jachthond. Dit ras is in de vroege negentiende eeuw ontstaan uit een mix van een Rothbury met een Bedlington Dog en ook nog wat bijdragen van de Otterhound.
De Bedlington Terrier werd in Engeland wijd en zijd gebruikt als jager op ongedierte en om te apporteren. Deze hond is in 1877 voor het eerst als apart ras tentoongesteld. De Bedlington Terrier is afkomstig uit Nothumberland in Engeland.
Door met beleid te fokken, is de Bedlington Terrier ontwikkeld tot een meer sociale en beminnelijke hond. Doordat deze hond oorspronkelijk een jager en een hond om te apporteren was, is de Bedlington Terrier moedig en energiek. Deze hond is gek op lichamelijke beweging en kan goed gezelschap zijn voor iemand die gaat joggen.
De Bedlington Terrier is een vrolijke en gelukkige hond en kan heel leuk zijn voor kinderen. Deze hond is gek op de aanwezigheid van kinderen en doet actief mee aan hun activiteiten. Ook kunnen deze honden zeer beschermend zijn over de kinderen. De Bedlington Terrier is gematigd vriendelijk jegens buitenstaanders en vreemden.
Het is een trouwe en actieve hond, die soms eigenzinnig kan zijn. De Bedlington Terrier kan agressief naar andere dieren zijn. Met katten en andere huisdieren omgaan moet de Bedlington Terrier op jonge leeftijd geleerd worden. Over het algemeen kan dit ras het wel goed met andere honden vinden. Naar andere dominante rassen daarentegen kan de Bedlington Terrier wel agressief zijn. Deze jachthond zal nooit aarzelen om een gevecht te beginnen om zijn zin door te drijven.
Ondanks zijn uiterlijk is de Bedlington Terrier een zeer krachtige en moedige hond. Deze hond kan erg hard rennen en is een enthousiaste graver. Deze hond is gek op blaffen en achtervolgen. De Bedlington Terrier kan behoorlijk actief zijn binnenshuis en is relatief makkelijk af te richten.
De Bedlington Terrier verhaart gewoonlijk niet. Maar de vacht moet wel iedere maand geknipt worden en de oren moeten regelmatig worden geschoren. Borstel de vacht dagelijks om hem schoon te houden en baad alleen af en toe. Het wordt niet aangeraden om de vacht vaak te wassen. Deze hond veroorzaakt geen allergieen.
De normale levensduur van de Bedlington Terrier is 15 tot 17 jaar.
Bij de Bedlington Terrier vinden we vaak een erfelijk leverprobleem, de Copper Storage Disease. Dit ras heeft ook een aanleg voor erfelijke nierproblemen, PRA en schildklierproblemen. Ook komen enkele oogproblemen zoals grauwe staar en ziekte van het netvlies soms voor bij de Bedlington Terrier.
De Bedlington Terrier is een klein ras wat vernoemd is naar het mijnbouwstadje Bedlington, in Northumberland in het Noordoosten van Engeland. Oorspronkelijk is de Bedlington Terrier in de 18de eeuw gefokt voor de jacht op klein wild zoals dassen in de mijnen, maar later is het ras voornamelijk gebruikt in wedstrijden, shows en als gezelschapshond. De Bedlington is nauw verwant aan de Dandie Dinmont Terrier, Whippet en Otterhound.
De Bedlington kan over het algemeen goed met kinderen overweg. Het is een goede zwemmer in vergelijking met de echte waterhonden zoals de Newfoundlander en Landseer met een goed uithoudingsvermogen en veel snelheid. Bedlingtons staan er om bekend dat ze qua uiterlijk wel wat weg hebben van lammetjes. Voorkomende kleuren zijn blauw, grijs en lever. Bedlingtons zijn bijzonder dapper en soms zelfs vechtlustig. Als ze in een gevecht verzeild raken, zijn het zijn koelbloedige, rustige vechters die over het algemeen doorgaan tot de dood tenzij er bijtijds wordt ingegrepen. Over een van de eerste Bedlingstons, Ainsley Young Piper, gaat de legende dat hij op de leeftijd van 8 maanden al begon met het vangen van dassen.
De naam Bedlington Terrier is pas ontstaan in 1825, daarvoor was het ras bekend onder de naam Rothbury of Rodbury Terrier. Vanaf 1870 is de Bedlington Terrier toegelaten tot hondenshows. In 1948 werd Rock Ridge Night Rocket als eerste Bedlington Terrier verkozen tot Beste in Show. (BIS)
Het ras kent weinig gezondheidsproblemen. Voornaamste problemen ontstaan door koperstapelingsziekte en een aantal oogproblemen.
Herkomst
Vroeger een werkhondenras in Northumberland (Engeland).
Door inkruising met windhonden in uiterlijk wijkend van de andere Terriërrassen.
Het temperament is typisch dat van de Terriërs.
Algemeen voorkomen
Lenige, gespierde hond met een peer- of wigvormig hoofd.
Gebouwd op snelheid.
Het lichaam heeft een karperrug en is redelijk lang met gebogen lendenen.
Gracieuze verschijning met racy belijning.
Schofthoogte ongeveer 40,5 cm, reuen mogen iets groter zijn, teven iets kleiner.
Gewicht ongeveer 8 tot 10 kg
Vacht Het haar is dik en wollig en van de huid af staand.
Niet draadharig.
Vooral op de schedel en de snuit - maar verder over het hele lichaam - neiging tot krullen. Kleuren: overwegend blauw of leverkleurig.
Soms komen blauw en tan of zandkleurig voor.
Gebruik Oorspronkelijk voornamelijk gebruikt voor het verdelgen van voor de mens schadelijk geachte dieren, zoals bijvoorbeeld ratten.
Ook gebruikt voor de jacht op dassen en otter.
Nu een aanhankelijke en innemende huishond.
Gezondheid Jaren terug werd het ras bedreigd door een erfelijke stofwisselingsziekte (koperstapelingsziekte).
Aard Levendig en moedig.
Voor vreemden meestal wat terughoudend.
Bijzonderheden
Bedlington Terriërs verharen niet.
De vacht moet regelmatig met kam en borstel worden behandeld.
Een aantal keren per jaar moet de vacht met schaar en tondeuse worden bijgewerkt.
Rasstandaard
Kenmerken van de Bedlington Terrier
Schofthoogte: 38 - 43 cm.
Gewicht: 8 - 10 kg.
Verschijning: Lenig, gespierd, gracieus.
Hoofd
Schedel: nauw, rond, kuif.
Neusvleugels: groot.
Neus: zwart, bruin.
Ogen: Klein. Uitstraling: fonkelend.
Oren: Niet te groot. Tegen het hoofd aan gedragen.
Aanzet: laag.
Mond
Kaken: lang.
Lippen: goed sluiten.
Gebit: schaargebit, de bovenste snijtanden moeten de onderste snijtanden nauw aansluitend bedekken en de tanden moet recht in de kaak staan.
Hals: Lang en toelopend. De hals vertoont geen sporen van de keelhuid. Het hoofd wordt hoog gedragen.
Voorhand
Schouders: vlak, schuin.
Voorbenen: recht.
Lichaam: Gespierd.
Borst: diep, breed.
Ribben: vlak, ver doorlopend
Lendenen: duidelijk gewelfd met gebogen bovenbelijning
Achterhand: Gespierd, van middelmatige lengte, met sterke lage hielen
Voeten: Lang.
Voetzolen: dik, gesloten.
Beweging: Grote snelheid, soepel, veerkrachtig.
Staart: Niet te lang, dik aan de wortel
Aanzet: laag. Nooit over de rug gedragen.
Kleur: Bruin - blauw, blauw, zand. Donkerder pigment is gewenst
Vacht: Dik en warrelig maar niet draadharig. Duidelijke krulneiging, vooral op de snuit en schedel.
NB
Reuen: twee testikels moeten goed ingedaald zijn in het scrotum.