Over het ras
De Lapphund is al sinds de prehistorie de hond van de Samen (de Lappen). Oorspronkelijk jacht- en waakhond, later ook ingezet bij het hoeden van rendieren. Nauw verwant aan de Finse Lapinporokoira en Lapinkoira. In het begin van de twintigste eeuw heeft men geprobeerd de Zweedse keeshondenrassen in kaart te brengen en men kon toen vaststellen dat de oorspronkelijke Zweedse Lappenhond bijna uitgestorven was. Men heeft toen andere rassen gekruist om de herderseigenschappen te verbeteren, maar deze experimenten waren niet bijzonder geslaagd. De Zweedse Lappenhonden die tegenwoordig op Scandinavische tentoonstellingen te zien zijn, stammen hoofdzakelijk af van de Zweedse Lappenhonden die voordat men met inkruisen van nieuw bloed begon, naar het zuiden van Zweden zijn gebracht.
Schofthoogte
Reu: 45 - 51 cm. Teef 40 - 46 cm.
Verschijning
Middelgrote hond.
Hoofd
Schedel: lang.
Stop: duidelijk.
Neus: recht, zwart.
Ogen
Vorm: rond.
Kleur: bruin.
Oren
Klein, rechtop.
Mond
Gebit: schaargebit.
Hals
Lang.
Voorhand
Recht, gespierd.
Lichaam
Rug; recht, gespierd.
Achterhand
Recht, gespierd.
Voeten
Vorm: ovaal.
Tenen: gesloten.
Staart
Aanzet: hoog.
Actie: gekruld op rug gedragen.
Beweging
Soepel.
Kleur
Zwart, donkerbruin. Evt witte aftekening op poten, puntje van de staart en borst.
Vacht
Ondervacht: wollig.
Bovenvacht: lang.
NB
Reuen: twee testikels moeten goed ingedaald zijn in het scrotum.\