Alles over honden: rassen, opvoeding en gezondheid Onafhankelijk · Een site van Petmedia

FCI Standaard nr. 64
05 mei 2003
Oostenrijkse pinscher

Land van oorsprong: Oostenrijk
Datum van publicatie van de geldige originele standaard: 05 mei 2003.
Gebruik: Waak- en geleidehond.
Classificatie FCI: Groep 2: Pinschers en Schnauzers – Molossers – Zwitserse Sennenhonden en andere rassen
Sektie 1.1 Pinschers en Schnauzers
Zonder werkproef.

Kort historisch overzicht:
De Oostenrijkse pinscher stampt af van de oude Oostenrijkse landpinscher die nog in de 2e helft van de 19e eeuw als sobere, veelzijdige boerenhond ver verspreid was. In 1921 werd met een planmatig zuiver ras begonnen. Op 16 oktober 1928 werd dit ras als Oostenrijkse Korthaar Pinscher door het Oostenrijkse Kynologen verband erkend. In 2000 werd de rasnaam in “Oostenrijkse Pinscher” veranderd.
Algemeen totaalbeeld:
Middelgroot, stevige hond met een monter en pienter gezichtsuitdrukking.
Belangrijke proporties:
Schoft : lichaamslengte = 9 : 10
Neuslengte : voorhoofd = 4 : 6

Gedrag en karakter (aard):
Levendig, opmerkzaam, speels en bijzonder aanhankelijk en vriendelijk in omgang met hem vertrouwde mensen.
Tegenover vreemden is hij wantrouwig en een onomkoopbare waker. Het jachtinstinct is alleen zwak aanwezig.

Hoofd:
Peervormig, harmonisch bij het lichaam passend.
Voorhoofd: Breed en gewelfd met een duidelijke rimpel in voorhoofd.
Schedel: Duidelijk uitgesproken junkbeenderen, sterke wangspieren.
Stop: Duidelijk.
Gezichtsdeel:
Neus: De neusspiegel: is zwart.
Voorsnuit: Krachtig, de neusrug is recht.
Lippen: Strak glad aanliggend, donker gepigmenteerd.
Kiezen / tanden: Krachtig, volledig schaargebit.
Ogen: Grote oogappel in ronde oogspleet, oogleden aanliggend, donker gepigmenteerd.
Oren: Knopoor, klein, hoog aangezet.
Hals: Middellang, krachtig.

Lichaam:
Schoft: Duidelijk aanwezig.
Rug: Kort, breed, recht en strak.
Lendenpartij: Kort en breed.
Bekken: Lang en breed.
Borst: Diep, lang, breed, tonvormig gewelfd, goede sterke voorborst, strakke borstspieren.
Buik: Licht opgetrokken.
Staart: Hoog aangezet, krachtig, middellang, dicht behard.

Ledematen:
Algemeen: Krachtige bottenbouw.
Voorhand: Goed gespierd, rechte loop, breed front.
Schouders: Schouderblad lang, schuin gelegen.
Bovenarm: Schuin gesteld.
Onderarm: Middellang, recht.
Voorvoetwortelgewricht: Krachtig.
Voormiddenvoet: Kort, matig schuin gesteld.
Achterhand: Goed gehoekt.
Bovenbeen: Brede billen.
Onderbeen: Matig lang.
Spronggewricht: Krachtig.
Achtermiddenvoet: Kort.
Voeten: Goed gesloten met krachtige klauwen.
Gangwerk: Ruimgrijpend, vloeiend en een harmonische bewegingsafloop.
Huid: Strak en aanliggend.

Beharing:
Haar: dicht stokhaar. Het dekhaar is kort met middellang, dicht, glad en aanliggend. De onderwol is dicht en kort, de billen hebben langere haren aan de achterzijde (een broek).
Kleur: Tarwegeel, bruingeel, reebruin, zwart met rood/bruine aftekeningen.
Witte aftekeningen: Borstvlek, neus, hals, keel, nek, voeten en staartpunt.
Het ontbreken van witte aftekeningen is niet als fout aan te merken. Schofthoogte
Reuen: 44 tot 50 cm.
Teven: 42 tot 48 cm.

Fouten:
Iedere afwijking van de hiervoor genoemde punten moet als fout gezien worden, en de ernst van de fout is afhankelijk van de graad van afwijking.
Diskwalificerende fouten:
Agressiviteit, angstigheid.
Over- en onderbeet.

N.B.: Reuen moeten twee duidelijk normaal ontwikkelde testikels hebben die in de balzak zijn ingedaald.

Bron: VFLD.nl