Herkomst
In Engeland gecreëerd ras, dat daar de naam 'Samojeed' kreeg. Opgebouwd uit honden afkomstig uit het Noord-Europese en Aziatische poolgebied, die werden gebruikt als hoeder en drijver van rendierkuddes, jachthond en sledehond.
Die eerste importen waren nog verschillend van kleur en bouw.
In Nederland kreeg het ras grotere bekendheid doordat koningin Wilhelmina twee nesten Samojeden fokte.
Algemeen voorkomen
Oertype poolhond, duidelijk nog een werkhond, krachtig, lenig en elegant, stralend vanwege zijn lichte vacht en zijn typische, 'glimlachende' expressie.
Schofthoogte reuen 57 cm, teven 53 cm, met een afwijking van 3 cm naar boven of naar beneden
Gewicht 18-25 kg
Vacht Korte, zachte, dichte ondervacht en een langere bovenvacht met hard en recht haar.
Langer haar in de kraag (vooral bij de reuen), op de staart en als broek. Kort op gezicht en voorkant van de benen.
Zuiver wit, crème of wit met biscuittekening.
Gebruik Was een veelzijdige werkhond en is nog steeds veelzijdig inzetbaar: voor de slee en bij behendigheid, flyball, enzovoorts.
Ook een prettige gezelschapshond.
Gezondheid Fokdieren worden onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie en erfelijke oogaandoeningen.
Aard Vriendelijk, open en verdraagzaam, alert, eigenzinnig, niet altijd even gehoorzaam.
Waakinstinct ontbreekt.
Heeft de neiging veel te blaffen.
Bijzonderheden De rijke vacht heeft veel verzorging nodig, vooral bij de jonge hond en tijdens de ruiperiode, als hij zeer veel haar verliest en het beste dagelijks bijgehouden kan worden.