Herkomst
Sledehond, gespecialiseerd in het vervoer van lichte lasten met gematigde snelheid over lange afstand - een 'stayer' bij uitstek. Afkomstig uit Siberië, in Alaska geïmporteerd en daar de geliefde sledehond tijdens de 'Goldrush', eind 19e, begin 20e eeuw.
Algemeen voorkomen
Middelmatig grote werkhond die kracht, snelheid en uithoudingsvermogen in zich verenigt.
Zijn gangwerk is licht, gracieus en schijnbaar moeiteloos.
Vriendelijke, geïnteresseerde, waakzame expressie.
Schofthoogte reuen 53,5-60 cm, teven 50,5-56 cm
Gewicht reuen 20,5-28 kg, teven 15,5-23 kg
Vacht Dubbele vacht: ondervacht zacht en dik, bovenvacht langer en aanliggend.
Alle kleuren zijn toegestaan: wit, wit met grijs, zwart of rood, al dan niet met aftekeningen of masker.
Typisch is de oogkleur: behalve bruin komt ook blauw voor, en het is toegestaan dat een hond één blauw en één bruin oog heeft, of zelfs bruinblauwe ogen.
Gebruik Veelgebruikt als sledehond, vroeger in Alaska vooral in het dagelijkse leven, nu wereldwijd recreatief en in de wedstrijdsport.
Gaat uiterst economisch met zijn krachten om.
Wordt in Nederland vooral gefokt en gehouden door mensen die met de honden werken.
Maakt in het buitenland, met een wat ander - zwaarder - type, furore als tentoonstellingshond.
Gezondheid Geen rasgebonden gezondheidsproblemen bekend; fokdieren worden onderzocht op HD en oogziekten.
Aard Vriendelijk, ook naar vreemde mensen en honden, totaal niet waaks.
Heeft gezelschap nodig van mensen of andere honden.
Bijzonderheden Tijdens het ruien enorm vachtverlies, meestal laat de complete ondervacht los.
Dan dus intensief borstelen gewenst, verder nauwelijks onderhoud.